Boelenham
 Printbare versie  Printbare versie
Het dorpje Hemmen
14e eeuw
15e eeuw
16e eeuw
17e eeuw
18e eeuw
19e eeuw

Napoleon

Na de Bataafse Republiek volgde in 1806 de Franse overheersing. De Franse keizer Napoleon maakte zijn broer Lodewijk Napoleon koning van Nederland. Keizer Napoleon gaf opdracht tot invoering van de burgerlijke stand en het kadaster. De Heerlijke rechten werden gemeenten en de rechtspraak werd voor het hele land uniform geregeld.

Familie Sipman

Jenneke Pendraat schonk op 23 oktober 1805 haar volledige eigendom aan zoon Mighiel onder de voorwaarde dat zij tot haar dood werd onderhouden en de beste kamer op de Boelenham mocht blijven bewonen. Na haar dood moest Mighiel ƒ 13.000 in de boedel van zijn moeder inbrengen. Mighiel Sipman (geboren in 1772) trouwde op 31 mei 1806 met Gerritje van den Toorn (geboren op 23 februari 1778). Mighiel en Gerritje woonden toen samen met moeder en schoonmoeder Jenneke Pendraat op de Boelenham.

Mighiel en Gerritje kregen acht kinderen, waarvan drie op jonge leeftijd overleden:

1.

Aalbert geboren op 15 april 1806, overleden op den 26 oktober 1844

2.

Willem geboren in 1807, overleden op 5 januari 1810

3.

Derk geboren in 1809, overleden op 8 januari 1810

4.

Willem Derk geboren op 9 februari 1811, overleden op 8 december 1877

5.

Jan geboren op 13 januari 1814, overleden op 28 maart 1864

6.

Gerrit geboren op 8 november 1815, overleden op 4 juni 1839

7.

Everardus Adrianus geboren op 20 maart 1818, overleden op 19 december 1886

8.

Michielina Gerdina geboren op 10 oktober 1819, overleden op 6 mei 1829.

De vader van Gerritje was Willem van den Toorn. Willem overleed in 1783 - toen Gerritje nog maar 5 jaar oud was - aan de Rode Loop. In hetzelfde huis kampten negen andere personen met dezelfde ziekte. Ook het jongste kind en een dienstmaagd overleden. De Rode Loop (oftewel dysenterie) was toentertijd een geheimzinnige ziekte en heerste van 1781 tot 1783 in Gelderland. De mensen kregen buikloop met heftige krampen en ontsteking van de darmen. De ontlasting was rood van het bloed; vandaar de naam Rode Loop. De geneesheren wisten er toen geen raad mee, waardoor de ziekte zeer gevreesd was.

Watersnood in 1809

Op zondagmorgen 15 januari 1809 brak tijdens hoog water en ijsgang de rivier de Waal door bij de banddijk te Oosterhout en Loenen. Het gevolg was, dat de gehele Betuwe onder water kwam te staan. Door de strenge vorst, die toen inviel, bevroor het overstroomde land, zodat er een grote ijsvlakte ontstond. Toen het vervolgens aan het einde van de maand plotseling begon te dooien, liep de waterstand opnieuw op. Daarnaast begon het flink te stormen. Voor de tweede maal was er een dijkdoorbraak en overstroomde de Betuwe. De huizen stonden tot aan de daken onder water. Enkele honderden mensen verloren het leven. Veel vee kwam om en grote schade werd aangericht aan huizen, bomen en landerijen.

Bij deze watervloed heeft Hemmen veel te lijden gehad. Er kwamen in Hemmen geen mensen om. Wel zestig stuks vee verdronken en achttien huizen werden weggespoeld.

Dankzij de heer van Lynden van Hemmen werden er veel levens gered. De hofstede de Hoge Wust, die hoog ligt en bij eerdere overstromingen droog was gebleven, en zijn eigen woning werden door hem als toevluchtsoord aangewezen. Hier werden de mensen voorzien van voedsel en warme dekens.

De Boelenham was één van de huizen die - op één kamer na - werd weggespoeld. Het kantoortje, waar de hele familie Sipman op dat moment verbleef, bleef als enige staan. De bomen om het huis, zoals de leilinden, hadden hun dienst bewezen om als stootkussen te fungeren. Veertig stuks vee verdronken.

De Statenbijbel

Op 8 december 1817 deed de broer van Willem van den Toorn, Derk van den Toorn en koster van de Stevenskerk in Nijmegen, zijn neef Mighiel Sipman en nicht Gerritje van den Toorn een Statenbijbel cadeau.

“Deze Bijbel, heb ik Derk van den Toorn, present gedaan aan mijnen neef Mighiel Sipman en nicht Gerritje van den Toorn. Echtelieden; op den achtsten december 1817 met die bedewensch, dat zijlieden, en de hunne, van dit kostelijkste aller boeken, ja dan allergoederen der Aarde er tot den ruimsten Zegen, veel biddend gebruik van zullen maken.”

Op 30 december 1817 beschreef hij – op 74 jarige leeftijd - voorin deze Statenbijbel de overstroming van 1809.

“In 1809 een geduchte zeer strenge winter, had het sterk gevroren, eer de whaal beneden staakte, kwamen in den whaaldijk op den 15 january twee doorbraken, de eerste te Loenen ’s morgens om 8 uuren, de tweeden één uur later om 9 uuren te Oosterholt, het menigvuldig ijs dat door die gaten dreef, deed zeer veel nadeel, het water kwam in de Betuwe tot eene verbazende hoogte, zoo dat het op de Zandhoek bij mijn zwager verburgt, 14 Duim hoog op de opkamer gestaan heeft.

Door den sterken vorst, vroor het water, dat zeer hoog in de Betuwe was, wederom sterk toe, en waste daar na nog sterker aan, water door het ijs opligte, en schollen mergens land groot, aan malkanderen aan het drijven raakte en door het aanstuwend water, alles waar zij voorkwamen, boomen, huizen ze mede sleepten, ook het sterke Huis Boelenham; daar bovenstaande neef en nicht woonen het huis op een hoek na, den Berg vol koorn, de schuren met al het vee paarden en beesten samen 40 stuks, alles werd in eens weg genomen, op dat stuk van het huis, dat wonderlijk nog bewaard werd, tot in het leven behouding van Neef en Nicht en hunne kindren, schoon zij er ieder ogenblik den dood op te gemoed zagen en gelijk men zegt, duizend dooden uitstonden, god alleen heeft hun bewaard, wonderdadig bijgestaan gesterkt geholpen gered, Hem zij dezer, en zijne grote, ook doe zoo zonderling bewezene goedheid, worden doch nooit vergeten.

Ook ter zelfder tijd, woelden het water en ijs, te Reeth, het Huis van mijn Zwager en Zuster Roest om het storten in, al het vee bleef er onder dood, dog de Menschen behielden het leven, dog in doodsgevaar, de schuur wist over de sloot en de rijweg geworpen en den Berg met al wat er in was, meer dan een geweindlands over twee sloten heen mede gevoerd en verset, hoe geducht is god in zijne oordelen.”

Koninklijk bezoek

Eind januari bracht koning Lodewijk Napoleon een bezoek aan het rampgebied. De koning was zeer begaan met het lot van de mensen en wilde alles met eigen ogen zien. De koning reisde per rijtuig over de Waaldijk en werd vergezeld door hoge ambtenaren. Van Gorinchem trok het gezelschap naar Tiel naar de doorbraak in Loenen. Daar kwam de koning op 28 januari aan. Het was echter niet mogelijk om over het doorbraakgat te komen, de sterke instroming van water en ijsmassa’s verhinderde dit. Het gezelschap keerde daarom terug naar Tiel en vertrok vandaar naar Culemborg, Arnhem en Nijmegen. Op 8 februari bereikte het gezelschap Nijmegen. Na een bezoek aan de doorbraak boven Nijmegen in de Ooy, keerde de koning op 10 februari terug naar Arnhem, waar hij zijn inspectietoer door de Betuwe beëindigde.

De couranten brachten uitvoerige verslagen over de in het rivierengebied plaatsgevonden ramp. Hartverscheurende verhalen deden de ronde. Verhalen van mensen, die na dagenlang in weer en wind op het dak van hun huis hadden gezeten, uiteindelijk toch nog in de watervloed omkwamen als gevolg van het instorten van hun woning. Maar ook verhalen van spectaculaire reddingen van drenkelingen verschenen in de couranten. Toen Lodewijk Napoleon opriep tot een algemene dank- en bededag en een landelijke collecte, werd daar grootmoedig gevolg aan gegeven.

Brieven van Derk van den Toorn

Op 13 februari 1809 schreef Derk van den Toorn aan zijn neef en nicht een brief, om zijn steun te betuigen na de overstroming en zware verwoesting van het huis de Boelenham.

“Had ik konne vliegen, al meermaal had ik uw besogt: schoon mijn doorsigt te gering is, om uw te konne raden, aan de wil sou het niet ontbreken, ben zo blijde u met uwe kindre nog redelijk welvaard, in dezen moeilijken weg, een nooid genoeg erkenden zegen, ook is het groot hoe veel er bedorven en weg is, dat u van uwe klederen linnen en huisraad nog al veel weerom vind, hoop er ook nog al wat droog koorn uit uw berg bij den nieuwen dijk zal te regt komen.”

“Toevallig heb ik gisteren een man van Ochten gesproken (Kerssenberg) die heeft mij gesegt, dat aldaar een lade met papieren van uwe was opgevist of wel gehaald van een kop van een willig, ze waren daar bij de schout in bewaring, die ze alle moest drogen.”

Later dat jaar op 25 september was Derk van den Toorn ter ore gekomen dat Mighiel Sipman de Boelenham had verkocht aan zijn zwager “zijn sterkste tegenstander bij de schikking door zijn moeder gemaakt”. Derk schreef een zeer verontwaardigde brief aan zijn neef en nicht.

“Ik wist niet wat ik denken moest, de eene dwaasheid op de andre, ik dagt heeft neev zijn verstand verloren, of is hij zo dronken geweest dat hij niet wist wat hij deed, ik heb dog nooid gehoord dat hij een dronkaard is, ...”

“Den Boelenham, een goede bouwing verkogt en dat nu, nu met zo veel zorg moeiten en kosten het Huis bijna weder volnoud, den berg en de kleine schuur insgelijks, veele der boomen wederom aan ’t wassen zijn, en des hoope, om onder gods zegen er wederom uw brood te winnen met en voor u, uw vrouw en kindren; en dat sonder nootzaak te verkopen, uw kostwinning als te veragten, wat moeten alle uwe deelnemende begunstigers in den nood, uwe welmenende helpers en toegenegen vrienden er van denken en zeggen.”

“Heeft het gebruik van te veel drank op die dag, zo ik vrees, uw tot die onvoorsigtigheid gebragt, want andre reden weet ik er niet voor uit te denken, o, wag u voor den drank, gij ziet in welke ongelegenheden gij uw daar door brengen zoud, moet gij somtijds in gelegenheden komen, die gij niet vermijden kond, ik durf u veilig het voorbeeld aanprijsen van mijn brave vader, die zelfs oeffende, en ons leerden, betaal in zulk geval altijd nevens een ander, proef eens een mondvol, en laat het daar bij, dan houd gij uw verstand.”

De verkoop is in ieder geval niet doorgegaan, want in september van datzelfde jaar is de Boelenham door Mighiel Sipman en Gerritje van den Toorn weer opgebouwd als T-boerderij.

Val van Fransen

In 1810 moest Lodewijk Napoleon afstand doen van de troon en werd Nederland ingelijfd bij Napoleons keizerrijk. Nederland bleef drie jaar lang Frans gebied. Na ruim tien jaar Franse invloed volgde in 1813 het herstel van de Nederlandse zelfstandigheid. Napoleon werd verbannen naar het eiland Elba. Hij wist te ontsnappen en deed in 1815 een laatste – tevergeefse - poging zijn macht te herstellen bij de Slag bij Waterloo. Nederland en België werden samengevoegd om een sterke bufferstaat te zijn tegen Frankrijk.

Derk van den Toorn schreef in 1817 in de Statenbijbel het volgende over de bevrijding van de Franse overheersing.

“In 1813 werkte de Heere mede, om ons land te verlossen van de tirannisse onderdrukking en overheersing der Franschen: op den 30 november beschoten de Drielsschen de stad Aarnhem, de Franschen vochten woedende, dog moesten retireren: zij meende de Brug agter zig te verbranden, dog dat mislukte hun, waar door god de Betuwe bevrijden van eene algemene plundering, waar toe de Franse geen tijd gelaten wierd, wat beefde men die 30 Nov: van angst, op het horen van het geweldig beschieten van Aarnhem, en het moorddadig gevegt binnen die stad, dan de Heere gaf de overwinning, jaagden de Fransen woede aan, maar gaf moed aan onze helperen en aan ons, en ging voord, van tijd tot tijd, ons land, godlijk wonderbaar te verlossen dog te Nijmegen en aan die zijde der whaal, bleven de Franschen noch, tot den 5de januarij 1814 op welke nacht of morgen, ook wij, van dezelve bevrijd werden: zij wirden als door vrees en angst weggedreven, verlieten Nijmegen met een stille trom, zonder iemand iets te zeggen of enig kwaad te doen. De Heere liet hun dat niet toe, wat zullen wij hem vergelden voor alle zijne weldaden en wij zijn beschaamd en staan als verstomd.”

Willem I

In 1815 riep Willem van Oranje zichzelf uit tot Koning Willem I van het Koninkrijk der Verenigde Nederlanden. Hij probeerde de economische bloei te herstellen door de sterke kanten van de economie te stimuleren. De koning liet tussen noord en zuid kanalen en wegen aanleggen om het vervoer van goederen te vergemakkelijken. Zelf trad hij op als investeerder. Willem was getrouwd met Wilhelmina van Pruisen. Uit dit huwelijk werden drie kinderen geboren, waaronder in 1792 de latere Koning Willem II.

Op 23 augustus 1816 ontvingen Gerritje en Mighiel een brief van hun oom Derk van den Toorn over het bezoek van kroonprins Willem II met zijn vrouw Anna Paulowna aan de stad Nijmegen.

“Gistren zijn uw vader en moeder in de stad geweest, en uw moeder is ’s nagts aan mijn huis gebleven, wat zegt gij daar van, ’t was om ’s avons de illuminatie te zien, dat ook geschiet is, zijnde den kroonprins met zijn Russisse gemalin, omstreeks negen uuren in onse stad gekomen, dan hebben ons niet vereerd onse illuminatie te come zien, schoon wij almede ons best gedaan hadden met groen maken en illumineren, heden om 10 uuren zijn die Hooge personen weder vertrokken na Aarnhem, en het Loo.”

“Uw moeder heeft heden morgen de kroonprins en princes wat goed gezien, heb ik nu niet een goed gesprek met uw gehouden, en nog al iets nieuws medegedeeld, ik zal dan, na toebidding van ’s Heeren Zegen, dezen eindigen na mijne vriendelijke groete, en die van uwe moeder, die heden namiddag, na wat vis gegeten te hebben, na huis word afgehaald.”

Derk van den Toorn overleed op 6 juli 1818. In 1820 werd zijn erfenis verdeeld. Gerritje van den Toorn ontving ƒ 7.152,- van haar overleden oom.

Overlijden Mighiel Sipman en Jenneke Pendraat

Mighiel Sipman overleed - 47 jaar oud - op 13 februari 1819 en liet Gerritje met vijf kinderen achter en in verwachting van een zesde. Op 24 februari 1819 ontving Gerritje van den Toorn een brief van dominee en vriend Anthonie Bonebakker uit Rosendaal, die eerder als predikant aan de kerk van Hemmen was verbonden.

“Met ware droefheid, en deelneming heb ik door weled. waardigen leraar, op uw verzoek ontvangen het zoo treurig berigt aangaande het overlijden van uwen goeden, en braven man. In een geruimen tijd heeft geen sterfgeval mij zoo getroffen, als dit.”

“Het vroegtijdig sterven van uwen geliefden Echtgenoot, die ook mij bijzinder lief en dierbaar was, wekke U en de uwen; mij, en de geheele, mij onvergeetelijke, Hemmensche gemeente op, om ons bij tijds tot sterven voor te bereiden. Indien uwe schoonmoeder nog zoo veel bewustheid heeft, zegt haar dan, dat ik met belangstelling aan Haar denke.”

Jenneke Penraat overleed kort daarna op 9 augustus 1819 op 84-jarige leeftijd. Op 10 oktober dat jaar beviel Gerritje van een dochter en zij vernoemde haar naar haar overleden man: Michielina Gerdina.

Na het overlijden van Jenneke Penraat verviel de Boelenham aan Gerritje van den Toorn. Op 12 december 1820 laat Gerritje van den Toorn alle bezittingen vastleggen bij de notaris (zie pagina 54).

De gehele geschatte waarde van ƒ 14.524,- moest verdeeld worden onder de kinderen. Uit oude aktes blijkt dat een aantal kinderen van hun moeder al geld als voorschot hadden ontvangen. Vooral voor zoon Matthijs bleken al veel leningen afgesloten te zijn. In een contract gemaakt op 12 juli 1816 was zelfs vastgelegd dat zijn moeder en zwager Berend van der Wurp, man van zus Johanna Gerarda, hem verplicht waren “zijn leven lang van kost, drank en kleding, ordentelijk zal onderhouden en huisvesten; zulks voor de somma van een duizend guldens”. Jenneke had toen al de leeftijd dat zij slechts met een kruismerk kon tekenen nadat het contract aan haar was voorgelezen.

Hertrouwen

Na het overlijden van de partner duurde het rouwproces van de weduwen in die tijd ongeveer negen maanden. Er golden dan afspraken en codes betreffende de kledij en sociale contacten. In kleine plattelandsgemeenten wachtten de weduwen wat langer om te hertrouwen, omdat de sociale controle hier groter was.

De kinderlast van de weduwen kon een nadeel zijn een nieuwe man te vinden. Hoe meer kinderen een vrouw had, hoe langer het duurde voor ze opnieuw trouwde. Ook de leeftijd van de kinderen speelde een rol. Vrouwen, die het alleen financieel konden redden, hertrouwden niet zo snel en gaven de voorkeur om te gaan inwonen bij de volwassen zoon of schoonzoon. De weduwestaat bracht vaak een verslechterde materiële positie met zich mee, maar was ook een bevrijding voor de vrouw. Een gehuwde vrouw was rechteloos, terwijl een weduwe het beheer over het vermogen en de voogdij over de kinderen kreeg.

Daarnaast stond de samenleving negatief ten opzichte van het hertrouwen van weduwen. De kerk had drie rechtvaardigingsgronden voor het huwelijk. Ten eerste moesten tijdens het huwelijk vele kinderen voortgebracht worden. Ten tweede konden de partners elkaar wederzijds steunen en tenslotte diende het huwelijk voor de inperking van ‘de lusten van het vlees’. Deze rechtvaardiging gold echter niet voor een tweede huwelijk. Enkel de wederzijdse steun was dan nog van toepassing.

Gerritje van den Toorn trouwde op 14 januari 1821 met landbouwer Dirk van Ginkel. Zij kregen op 9 december 1821 samen zoon Nicolaas. Gerritje was toen al 43 jaar, Dirk 41 jaar.

In 1830 komen de Belgen in opstand. Na een militaire interventie verklaarde België de onafhankelijkheid en ontstond naast België het Koninkrijk der Nederlanden.

Koning Willem II

In 1840 volgde Koning Willem II zijn vader Willem I op. Door het huwelijk van Willem II met Anna Paulowna (1795-1865), dochter van de Russische tsaar, kreeg Nederland banden met Rusland.

Halverwege de 18e eeuw vonden misoogsten en hongersnoden plaats in Nederland. Er werd veel gebedeld en langs de deur gegaan. Dominee Heldring uit Hemmen zette zich in voor de bestrijding van armoede. Hij schreef een artikel genaamd ‘De arme Hoendrik in de Betuwe’. Deze naam gebruikte men vervolgens om de armoede te duiden.

Toen in 1845 met de kerstdagen ongeveer 400 armen de huizen in Hemmen langs gingen om te bedelen, plaatste Heldring een artikel hierover in het Algemeen Handelsblad. Ook bij baron van Lynden waren veel hongerende bedelaars aan de deur geweest. Soms had hij geld gegeven, meestal enige sneetjes brood. Aangezien de meeste bedelaars uit Dodewaard kwamen, schreef hij de Dodewaardse burgemeester hierover.

De hulp kwam hierdoor op gang. De kerk droeg zoveel mogelijk bij en particulieren kwamen met speelgoed, kleding en geld voor de armen. Ook de gemeente deed alles om deze armoede te bestrijden.

Er heerste onrust in Europa in 1848. In sommige landen braken revoluties uit. De Nederlandse koning vreesde dat hij, net als de Franse koning, moest aftreden. Om dat te voorkomen besloot Koning Willem II mee te werken aan een liberale grondwet. Thorbeckes grondwet werd nog datzelfde jaar ingevoerd. De belangrijkste bepaling in die nieuwe grondwet luidt: “De Koning is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk”. Voortaan waren de ministers verantwoording schuldig aan de volksvertegenwoordiging. De invloed van het parlement werd vergroot en er kwamen rechtstreekse verkiezingen voor de Tweede Kamer.

Gerritje van den Toorn overleed op 20 april 1848 en werd 70 jaar oud. Gerritje werd op de Boelenham opgevolgd door haar zonen Everardus Adrianus Sipman en Nicolaas van Ginkel.

Koning Willem III

In 1849 volgde Koning Willem III (1817-1890) zijn vader Willem II op. Door de invoering van de nieuwe grondwet was zijn macht flink beperkt. Hij kreeg de reputatie een onbekwaam vorst te zijn. In de eerste jaren van zijn regering gingen de geruchten dat hij een staatsgreep beraamde. Ook privé had de koning het moeilijk. Willems eerste vrouw stierf, net als hun kinderen. In 1879 sloot hij een tweede huwelijk met Emma van Waldeck-Pyrmont, waaruit de latere Koningin Wilhelmina werd geboren.

Everardus Adrianus Sipman en Anna Jakoba de Leeuw

Everardus Adrianus Sipman huwde op 18 juli 1851 Anna Jakoba de Leeuw. Zij kregen acht kinderen:

1.

Mechiel geboren op 10 december 1851, overleden op 27 oktober 1879

2.

Jan Hendrik geboren op 8 mei 1853, overleden in 1918

3.

Gerritje Everdina geboren op 14 augustus 1854

4.

Everardus Adrianus geboren op 17 januari 1856, hij overleed op 4 oktober 1885

5.

Everdiena geboren op 16 december 1858, overleden 22 maart 1919, 60 jaar oud

6.

Anna Jakoba geboren op 25 april 1861

7.

Klazina Justina geboren op 10 april 1863, overleden op 26 mei 1926

8.

Daniel geboren op 25 oktober 1864, overleden op 11 november 1908.

Een spoorlijn door Hemmen

Toen in 1880 sprake was van de aanleg van een spoorlijn door Hemmen was niet iedereen hier blij mee. De eigenaars van de Boelenham, Everardus Sipman en Nicolaas van Ginkel, diende een bezwaarschrift in bij het gemeentebestuur van Hemmen. De spoorlijn zou namelijk dwars door hun land gaan, waardoor de stukken minder waard zouden worden. Eén van de bronnen van inkomsten op de Boelenham was het opfokken van paarden voor het Nederlandse leger. De werkpaarden, die dichtbij de boerderij graasden, zouden het hele jaar niet voldoende gras hebben. Daarom zouden ze een gedeelte van het jaar ongeveer één uur van huis moeten weiden. Een ander bezwaar was, dat de koeien ’s zomers door de hitte en het ‘gewormte’ zo geducht konden worden geplaagd, dat ze door de sloten konden heengaan en dan op het spoor zouden worden verpletterd.

Hemmen gaf uiteindelijk toestemming om op haar grondgebied een spoorlijn aan te leggen. In ruil daarvoor kreeg het in 1882 haar eigen treinstation, station Hemmen-Dodewaard. De naamgeving gaf even wat problemen. In eerste instantie zou de halte ‘Boelenham’ heten. Er werd een bezwaarschrift ingediend. Het gemeentebestuur van Dodewaard was vervolgens tegen de naam ‘Hemmen’. Uiteindelijk was iedereen tevreden met de naam ‘Hemmen-Dodewaard’. De bouw van het station kostte ƒ 92.987,-. Toen de werkzaamheden gereed waren, reed er een feesttrein via Geldermalsen, Tiel naar Elst en weer terug. Genodigden konden instappen op elk station.

Volgens een staat van het Ministerie van Waterstaat moesten Everardus Sipman en Nicolaas van Ginkel uiteindelijk aardig wat inleveren. Ook de grond waarop het station gebouwd werd, was hun eigendom. Uiteindelijk zijn verschillende stukken grond behorende bij de Boelenham verkocht aan de Staatsspoorwegen voor meer dan ƒ 27.000,-.

Toen de spoorlijn er lag, bekeurde de veldwachter van Dodewaard de zoon van Sipman wegens het lopen over een spoorlijn zonder vergunning. Het is wel te begrijpen, dat je geen omweg wilt maken, als je aan de andere kant van de spoorweg op je land moet zijn. Maar de kantonrechter te Tiel kende op 20 april 1887 geen pardon: ƒ 3,- boete of twee dagen hechtenis.

Overlijden Everardus en Nicolaas

De zoon van Everardus Adrianus en Anna Jakoba, Everadus Adrianus junior, overleed op 4 oktober 1885, 29 jaar oud, aan een bloedvergiftiging ontstaan door een kattenbeet. Vader Everardus Adrianus overleed een jaar later op 19 december 1886 op 68-jarige leeftijd. Nicolaas van Ginkel overleed op 13 april 1894, 72 jaar oud.

Rond 1890 werd op het omgrachte terrein een nieuwe villa gebouwd, waar de ongetrouwde dochters Ger (Gerritje Everdiena), Anna (Anna Jakoba) en Sien (Klazina Justina) Sipman woonden. De Boelenham ging in 1896 over op hun broer Jan Hendrik Sipman. Hij huwde op 12 november 1896 met Gerritje Anna Wilhelma Tap (1852-1938).

De zus van Jan Hendrik, Everdiena Sipman, trouwde op 8 september 1892 met

Petronelius Tap uit Elst. Zij kregen twee kinderen:

1.

Dirk Antonie geboren op 18 oktober 1893

2.

Anna Jakoba Everdiena Adriana geboren op 5 oktober 1899

Beschrijving van Hemmen in 1880

Jacobus Craandijk beschrijft in 1880 Hemmen in ‘Wandelingen door Nederland met pen en potlood’.

“Maar niet dikwijls zouden wij er zulke fraaije landschappen ontmoeten, als in de nabijheid van het huis te Hemmen. Daar vormen hooge en zware iepen en populieren, met de schaapskooi en de hooischelven in hun lommer en het brugje over de Linge, inderdaad een liefelijk geheel. En als wij de brug over zijn, dan hebben wij een statige laan voor ons en de tuinen van het kasteel nevens ons, met heldere vijvers, opgaand hout, slanke populieren, donkere bruine beuken, en den grijzen zijgevel van het groote huis, zich spiegelend in de gracht. De voorgevel ligt tegenover het krachtige eikenbosch, dat, hoewel niet zeer uitgestrekt, toch een uitnemend sieraad van het oord uitmaakt. Een ruim plein scheidt het slot van den weg. De Linge stroomt daar vrolijk voorbij en in ‘t geboomte, dat aan den slottuin grenst, verschuilen zich de huizen van het dorpje. Het witte torentje steekt er vriendelijk boven uit. Dorp en kerk zijn grootendeels op een’ woerd gebouwd en ook hier kwam meer dan één overblijfsel uit den grijzen voortijd aan het licht. ‘t Is daar bij Hemmen een liefelijk plekje en niet weinig wordt de schoonheid er van verhoogd door het kloeke bosch van krachtige eiken, dat tegenover het kasteel zich uitstrekt.”