Boelenham
 Printbare versie  Printbare versie
Het dorpje Hemmen
14e eeuw
15e eeuw
16e eeuw
17e eeuw
18e eeuw
19e eeuw

Edmond van Els

Na de dood van Diederick van Els in 1703 ging de Boelenham over op zijn zoon Edmond van Els. Edmond was heer van de Boelenham en Lagenpoel, Nederlands officier, kolonel van een Hollands/Utrechts (na 1703 Gelders) regiment infanterie in 1695, brigadier in 1702, generaal-majoor in 1709, commandeur van Grave in 1713, luitenant-generaal van de infanterie in 1724.

Edmond huwde op 24 juli 1698 in Nijmegen Mechteld van Randwijck. Edmond en Mechteld kregen geen kinderen. In 1724 schonken Edmond en Mechteld de kerk van Dodewaard een koperen lezenaar, samengesteld uit krachtige ranken die het wapen Van Els en Van Randwijk omgeven, met griffioen en windhond als schildhouders. Hieronder staat geschreven: “Els van Randwick”. Op het plat van in rood leder gebonden bijbel staat “Els en Rantwyk anno 1724”.

In 1728 vergrootte Edmond van Els het goed door in Hien het stuk grond Hoogh Majingen van 17 morgen groot te kopen voor ƒ 1.200,-, dat een huis, hof en boomgaard behelsde.

Na het overlijden van Mechteld in 1729 en Edmond in 1730 ging de Boelenham over op zijn zuster Elisabeth van Els.

In de verhuur

De Boelenham was in de eerste helft van de 18e eeuw een ‘deftige buitenplaats’. In 1731 werd de Boelenham te huur aangeboden samen met meerdere gebouwen en weilanden. “Het huys lijt rondom in zijn gragten, hebbende verschijde groote kamers, keuken, solders en kelders, stalling voor 12 paarden en meer. Dit huys en een voordelig duyvenhuys mitsgaders deftige tuynen boulant met zeer schone vrugt dragende boomen, alom parken, nevens verschijde laanen, speelhuis en vijvers, visserij in de rivier de linge en boden woning. Het is seer commode gelegen om af- en aan te houden also de vraght wagens van Utrecht en Nimwegen aldaar op een half quartier uurs voorbij komen rijden.”

Elisabeth stierf op 20 oktober 1731. De Boelenham ging over op haar dochter Ermgarde Louise Sweerts de Landas.

De Capellen

Ermgarde Louise Sweerts de Landas huwde in 1709 Hans Christoffel van der Capellen. Hans Christoffel was heer van Hagen. Met dit huwelijk kwam de Boelenham in handen van de familie Van der Capellen en werd hij ook heer van Appeltern en Altforst. De familie Van der Capellen of De Capella was een oud adellijk geslacht, oorspronkelijk uit Frankrijk en sinds 1200 bekend in Nederland.

Hans Christoffel had van jongs af aan in het leger gezeten. Nadat hij gewond raakte in een oorlog, diende hij niet meer. Hij was luitenant kolonel van de infanterie.

Hans Christoffel kreeg met Ermgarde Louise drie kinderen:

1.

Fredrik Jacob Derk, geboren in 1710.

2.

Jaspar Gerrit, heer van Hagen, majoor van een regiment infanterie ten dienste van het land. Jaspar Gerrit sneuvelde ongetrouwd in de slag van Racoux in 1745.

3.

Margaretha Isabella. Zij trouwde met Willem van Ittersum, heer van Oosterhoff, beschreven in de Ridderschap van Overijssel. Zij stierf in 1754.

Ermgarde Louise stierf in 1733 en Hans Christoffel stierf in 1739 en werd in Appeltern begraven. De Boelenham ging daarmee over op hun oudste zoon Fredrik Jacob Derk van der Capellen.

Fredrik Jacob Derk van der Capellen werd heer van Appeltern, Altforst, Boelenham, Hagen. Hij was majoor van de infanterie, ambts-jonker en heemraad des ambts tussen Maas en Waal. Hij trouwde op 17 januari 1741 met Anna Elisabeth van Bassen.

Anna Elisabeth van Bassen was de dochter van Dirk Reinier van Bassen en Johanna van Wyhe tot Echteld. Dirk Reinier van Bassen was eind 17e eeuw student in Leiden en werd burgemeester van Arnhem. Hij was politiek zeer actief en een man van groot gezag. In 1707 werd hij en zijn medeburgemeester Bouwensch ingezet om onlusten in Gelderland het hoofd te bieden. Zij namen vervolgens Wageningen in. Hetzelfde jaar werd de raad veranderd en namen de zaken een andere wending. Van Bassen werd op 15 februari 1707 afgezet en verbannen uit Arnhem. Hij begaf zich naar Tiel, waar hij zich bezighield met een studie vaderlandse geschiedkunde en genealogie en het opstellen van een verantwoording wegens zijn gedrag. Hij werd een bekend geleerde, een groot kenner van het Latijn en stierf op hoge leeftijd.

Fredrik Jacob Derk en Anna Elisabeth kregen drie kinderen:

1.

Johan Derk, geboren op 2 november 1741 in Tiel.

2.

Gerarda, geboren op 3 oktober 1746 en hetzelfde jaar op 3 december gestorven.

3.

Derk Reinier Christoffel, geboren op 11 juni en 15 dagen later gestorven op 26 juni 1758.

Johan Derk van der Capellen

De kindersterfte was in die tijd groot. Ook Johan Derk had een zwakke gezondheid en leek het niet te redden. Zijn grootvader Dirk Reinier van Bassen nam de opvoeding van Johan Derk op zich en leerde zijn kleinzoon de vakken rechten, geschiedenis en Latijn. Dirk Reinier stierf in 1751, waarna de ouders met Johan Derk op het Huis Appeltern gingen wonen. In 1752 ging Johan Derk naar een internaat in ‘s-Hertogenbosch en aansluitend in 1758 begon hij zijn studie Romeins in Utrecht. Hetzelfde jaar op 18 december stierf zijn moeder Anna Elisabeth na een miskraam. Zij werd in de Grote Kerk in Arnhem begraven. Zijn relatie met zijn vader verslechterde en hij raakte steeds meer geïnteresseerd in politiek. In 1764 brak hij zijn studie af en besloot zich in hogere kringen te begeven. Zodoende leerde Johan Derk Hillegonda Anna Bentinck kennen. Zij was dochter van Willem Hendrik Bentinck, heer van Werkeren, Wittenstein en Anem, en van Elisabeth van Dedem, dochter van het Huis van Gelder. Zij kwam niet uit een rijke familie, maar wel één met aanzien. Op 17 juni 1766 trouwde hij op 24-jarige leeftijd met de 27-jarige Hillegonda Anna Bentinck. Johan Derk en Hillegonda Anna kregen één dochter: Anna Elisabeth, geboren op 20 maart 1767. Hij ontving, na heel veel moeite en een paar keer afgewezen te zijn, in 1772 het ridderschap.

Johan Derk raakte steeds meer betrokken in de politiek. Toen zijn vader Fredrik Jacob Derk stierf op 1 januari 1780, en in de Grote Kerk in Arnhem werd begraven, werd Johan Derk als enige erfgenaam heer van de Boelenham, Appeltern, Altforst en Hagen. Eerst als heer van den Bredenhorst en vervolgens als heer van den Poll beschreven in de Ridderschap van Overijssel.

Johan Derk werd uiteindelijk baron van der Capellen tot de Poll en een Nederlands politicus en edelman die een belangrijke rol speelde in de patriottenbeweging. Hij steunde de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog, had kritiek op het politieke bestel en regentenstelsel. Hij werd vooral bekend als de auteur van het ‘anonieme’ pamflet ‘Aan het Volk van Nederland’, dat in de nacht van 25 op 26 september 1781 in alle grote steden van de Republiek werd verspreid. Het pamflet was gericht tegen de Oranjes, tegen hun band met Engeland, maar vooral en met hartstochtelijke felheid, tegen de laatste stadhouder prins Willem V. Hij zette uiteen waarom de machtspositie van de stadhouder onrechtmatig was. Hij riep de burgers op hun aandeel in het landsbestuur op te eisen. Het pamflet werd binnen één nacht door het land verspreid, en bij daglicht vrijwel meteen verboden.

In het pamflet verdedigde hij de mensenrechten. “Alle mensen zijn vrij geboren. De een heeft van nature over de ander niets te zeggen. De ene mens is wel wat verstandiger van geest of wat sterker van lichaam of wat rijker dan de ander; doch dat geeft hun, die verstandiger, sterker of rijker zijn, niet het minste recht om over de minder verstandigen, minder sterken, minder rijken te heersen. God, ons aller Vader, heeft de mensen geschapen om gelukkig te worden en aan alle mensen - niemand uitgezonderd - de verplichting opgelegd, om elkaar zoveel mogelijk gelukkig te maken. Om dit goede doel van de Schepper te bereiken, dat is om hun geluk te bevorderen, hebben de mensen gevonden dat zij niet beter kunnen doen dan zich in groten getale - somtijds van enige miljoenen - bijeen te voegen en grote maatschappijen te vormen, waarvan de leden (wat ge altijd goed in het oog moet houden) van nature allen aan elkaar gelijk zijn, en de een niet onderworpen is aan de ander. In deze maatschappijen - meestal burgermaatschappijen, volken of naties genoemd - verbinden zich de leden of participanten om elkaars geluk zoveel mogelijk te bevorderen, en elkaar onderling met vereende krachten te beschermen en in het ongestoorde genot van alle eigendom, bezittingen en alle geërfde, en wettig verkregen rechten te handhaven”.

Van der Capellen wist een nieuwe manier van politiek te bedrijven. Hij bracht door zijn optreden de politiek dichter bij de burger. Hij ijverde voor de vrijheid van meningsuiting en drukpers en wist de vinger op de zere plek te leggen. Van der Capellen zorgde ervoor dat de politieke discussie weer breed werd gevoerd en dat politiek weer ergens over ging. Hij dient nog steeds als voorbeeld voor de huidige politiek.

Johan Derk van der Capellen overleed plotseling na een kort ziekbed op 6 juni 1784 in Zwolle op 42-jarige leeftijd. Hillegonda Anna Bentinck overleed een jaar daarna op 5 juli 1785 op 46-jarige leeftijd. Beiden werden in Gorssel begraven.

Jenneke Pendraat

Ondertussen had de landadel ervoor gezorgd dat op het platteland talrijke adellijke huizen en kastelen stonden. Doordat de macht niet langer bij de adel lag, maar naar de koning was gegaan, was er minder geld bij de adel en raakten in de tweede helft van de 17e eeuw sommige van de adellijke huizen in verval en werden ze soms zelfs afgebroken. Een aantal van deze huizen, met de erbij behorende landerijen, kwam in handen van de boeren in de omgeving. De boeren waren erg geïnteresseerd in de bijbehorende grond van de kastelen en adellijke huizen. Zo verging het ook met de Boelenham. Johan Derk van der Capellen verkocht de Boelenham in 1781 aan de weduwe Jenneke Pendraat.

Jenneke Pendraat (ook wel geschreven als Penraad of Penderaat) was de eerste burgerlijke persoon die eigenaar van de Boelenham werd. Ze werd in Opheusden geboren rond 1735, trouwde op 18 juli 1756 met Aalbert Sipman en werd moeder van maar liefst elf kinderen. Haar kinderen heetten Claaske, Stoffel, Matthijs, Grietje, Jan, Geertje, Agniet, Johanna Gerarda, Dirkje, Mighiel en Cathrina. Aalbert overleed in 1777 en Jenneke bleef achter met de kinderen.

Op 7 september 1781 kocht ze bij een publieke verkoping te Dodewaard het adellijk goed de Boelenham van baron Johan Derk van der Capellen en vrouwe Hillegonda Anna baronesse van der Capellen. De Boelenham was toen een boerenhofstede met ca. 20 hectare land. Jenneke moest daarvoor een prijs van ƒ 12.200 betalen. Ze leende daarvoor ƒ 12.000 van een zekere J. Vermehr. Daartoe was zij in staat, omdat ze in Opheusden verschillende stukken grond bezat die tot onderpand konden dienen. Jenneke was een kleindochter van Jan de Leeuw en Maria van Brink, die op boerderij Den Ham aan de Hamsestraat in Opheusden woonden, een bouwhof van 59 morgen. Een morgen was ongeveer één hectare groot en kon in één morgen worden omgeploegd.

Twee jaar later, in 1783 trouwde Jenneke met Aart Krol, die geboren was in Driel en in Heteren woonde. Er werden huwelijkse voorwaarden opgesteld. Geen overbodige luxe, want Jenneke was eigenaar van de Boelenham en ze kon qua leeftijd zijn moeder zijn. Mocht Jenneke voor Aart komen te overlijden dan kreeg hij een even groot deel van de erfenis als haar kinderen, namelijk ƒ 275,-.

Aan de heer van Hemmen, heer Frans Godard baron van Lynden, moest in die tijd nog leengeld betaald worden voor het adellijk huis de Boelenham en de bijbehorende landerijen gelegen in Hemmen. Toen dit op zekere dag vergeten was, kreeg de familie in november 1788 een strenge brief toegestuurd.

In 1797 lieten zij op een stuk grond links achter het versterkte huis een boerderij bouwen. Aart overleed kort daarna op 3 december 1798 op jonge leeftijd.

Watersnood

In de 18e eeuw kreeg de Betuwe veel te verduren en traden dijkbreuken en overstromingen regelmatig op. In 1726 en 1741 hadden grote watersnoden plaatsgevonden, die ook Holland en Utrecht hadden getroffen. Na de overstroming in 1741 werd zelfs - vermoedelijk voor het eerst - een inzamelingsactie gehouden. Vanaf het midden van de 18e werden rivieroverstromingen als een landelijk probleem beschouwd.

De dijkbreuken waren vaak het gevolg van ijsverstoppingen. Na een strenge winter sloeg het weer om en zette de dooi in. Hierdoor schoot het ijs op de rivieren los, ging drijven en kruien, zette zich weer vast en vormden ijsdammen. De mensen zochten inderhaast hun toevlucht in de kerken of op andere hooggelegen plaatsen. Men klom in bomen. Het vee werd naar de hoger gelegen kerkhoven of dijken gedreven. Sommige plaatsen leken wel veemarkten door de vele dieren die er opeengepakt stonden. Toch kwamen mensen en dieren om en werden dorpen verwoest. Mensen raakten alles kwijt en zaten soms maandenlang gebivakkeerd in provisorische hutjes aan de dijk.

Inval Fransen

In 1787 waren de patriotten door de Pruisen verslagen en waren de meesten naar Frankrijk gevlucht. Vanuit Frankrijk zetten zij het verzet tegen het Orangistische bewind in de Republiek voort. Deze oranjegezindheid was ontstaan in de Zuidelijke Nederlanden na afscheiding door België.

Na de Franse Revolutie van 1789 wilde Frankrijk in 1794 de Nederlandse patriotten helpen in hun strijd om ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’. Onder leiding van generaal Charles Pichegru trokken de Fransen in december over de bevroren rivieren de Republiek binnen. Samen met de patriotten werden ze door het volk onthaald met vlaggen, liederen en dansen rond de vrijheidsboom. Het oude Orangistische bestuur bood geen verzet en op 18 januari 1795 vluchtte stadhouder Willem V naar Engeland. Twee dagen later riepen de patriotten de Bataafse Republiek uit.

De Bataafse Republiek

Hoewel de Bataafse Republiek (1795-1806) een zelfstandige ‘zuster’ van Frankrijk was, werd de Franse bemoeienis steeds groter. De nieuwe machthebbers voerden een grondige reorganisatie van de staat door. De oude Staten Generaal met hun gewestelijke besturen en belangen verruilden zij voor een centrale regering én een volksvertegenwoordiging. In 1796 kwam dit door een deel van de bevolking gekozen parlement bijeen: de Nationale Vergadering. Twee jaar later kreeg het land zijn eerste grondwet, de Bataafse Staatsregeling. De Bataafse Republiek werd een eenheidsstaat, waarin iedere burger gelijke rechten had, ongeacht zijn geloof.