Boelenham
 Printbare versie  Printbare versie
Het dorpje Hemmen
14e eeuw
15e eeuw
16e eeuw
17e eeuw
18e eeuw
19e eeuw

De Boelenham: van hand tot hand

In het begin van de 17e eeuw deed Jaspar van Lynden de Boelenham over aan zijn zoon Jan, die vervolgens de Boelenham verkocht aan zijn broer Godard. Op zijn beurt verkocht hij de Boelenham aan zijn broer Caspar.

Caspar van Lynden huwde in 1620 Geertruyd van Panthaleon van Eck. Zij kregen in 1630 dochter Armgard. Armgard, barones van Lynden, erfde de Boelenham. Zij huwde Diederick van Els.

Diederick van Els

Elisabeth van Buchel tot Dobberndorff, huwde in 1613 Gerrit van Els tot Leegpoel, kapitein en commandeur van Rees. Zij kregen zoon Diederick. Diederick werd erfgenaam van de familie van zijn moeder Elisabeth, aangezien het geslacht Van Buchel in de mannelijke lijn uitstierf.

In 1656 trouwden Diederick en Armgard en zij kregen de kinderen Edmond ((†1730), Casper, Elisabeth (1660-1737) en Clementina Geertrudis (1667-1731).

Diederick werd Gelders edelman, ambtman van Zaltbommel en van de Tieler- en Bommelerwaard, gedeputeerde van de Staten-Generaal wegens de Ridderschap van Gelderland (26 mei 1654) en raad van Gelderland (1667). Hij werd door zijn huwelijk met Armgard van Lynden heer tot den Boelenham. Daarnaast verkreeg hij de titel heer van Enspijck door zijn tweede huwelijk met Elizabeth Pieck, waarmee hij op 9 juli 1684 huwde.

Diederick bezat ook het adellijk huis de Leegpoel te Rumpt, gekocht uit een omstreden nalatenschap van zijn neef Rutger van Els. Diedericks tweede zoon liet zich dan ook naar dit huis vernoemen: Edmond, baron van Els, heer van de Boelenham en Leegpoel.

Diederick, die al verschreven was in de Ridderschap van Nijmegen, liet zich ook in de Ridderschap van de Neder-Betuwe verschrijven.

In 1671 verzocht hij de Ridderschap van de Neder-Betuwe dat hij en zijn afstammelingen verschreven mochten worden voor het huis de Boelenham. Het huis stond op de uiterste grens van het ambt van Overbetuwe en was alleen met een tochtsloot van de Neder-Betuwe gescheiden. Het was ingesloten door deze twee ambten en in de Neder-Betuwe stond zelfs de 'hameye' (het hek van de buitenplaats). Uit “bijzondere genegenheid en ten respecte van goede diensten” wordt het verzoek toegestaan, zonder dat “anderen het in consequentie zouden mogen trekken”.

Bezetting van Lodewijk XIV

In 1672 kreeg de Betuwe te maken met de troepen van de Franse koning, Lodewijk XIV, bijgenaamd de Zonnekoning. Er was in die tijd oorlog met Engeland, Munster, Keulen en Frankrijk. Het Franse leger van Lodewijk XIV trok Nederland binnen en de Betuwe werd door de Fransen bezet. Nijmegen werd belegerd en gaf zich al snel over. Maar liefst 120.000 officieren en manschappen trokken op een doorwaadbare plaats in de Rijn bij Lobith de Betuwe in. Het leger veroverde Arnhem.

Gedurende twee jaar werden Arnhem, Nijmegen en de tussenliggende Overbetuwe bezet. De inwoners moesten zware oorlogsschattingen betalen en inkwartiering geven aan grote groepen soldaten en hun paarden. Tot 1674 leefde men onder vijandelijke bezetting.

De gevolgen van de bezetting van de Overbetuwe waren desastreus. De vijandelijke garnizoenen ruïneerden het platteland. Dorpen, steden en kastelen werden verwoest. De veestapel was zo goed als verdwenen, de oogsten werden uit de schuren gevorderd en wat nog op het land stond werd vertrapt. Zware lasten werden onder bedreiging van verdere plundering en branden opgelegd. Toen de Fransen vertrokken namen zij gijzelaars mee, die alleen na betaling van grote sommen geld werden vrijgelaten. Het duurde jaren voor de dorpen in de Betuwe zich van deze bezetting hadden hersteld.

De Fransen in de Neder-Betuwe

Diederick en de rest van het Neder-Betuwse Ridderschap kregen in deze jaren veel te maken met de Franse bezetting. De Fransen hielden de stad Tiel bezet en toen het leger in 1674 opbrak, eisten zij als brandschatting maar liefst 150.000 gulden en namen een aantal gijzelaars om aan het geld te komen. Ook de Neder-Betuwe moest een steentje bijdragen in de vrijlatingsom voor de gijzelaars: ruim 35.000 gulden. Ze sloten daarvoor een geldlening af in de vorm van een obligatie en één van de ondertekenaars was Diederick van Els. Het geld werd gehaald in Amsterdam en voor de terugbetaling ervan werd in de Neder-Betuwe een belasting geheven op het grondbezit. Deze omslag, zoals de belasting genoemd werd, heeft tot 1695 gegolden, toen was het bedrag afbetaald. Hiermee kunnen we aannemen dat de gijzelaars ook daadwerkelijk hun vrijheid hebben teruggekregen.

De Neder-Betuwse jonkers

In de oudrechterlijke archieven komt de naam Diederick van Els herhaalde malen voor. Het was namelijk niet allemaal pais en vree tussen de Neder-Betuwse jonkers. In 1656 heerste er verdeeldheid over een nieuwe tiendheffing op raap-, kool- en kraveelzaad. Tot de eerste helft van de 17e eeuw werd hierop namelijk nog geen tiend geheven, maar omdat de verbouw ervan in die tijd sterk toenam, wilden een aantal van de jonkers hier een aandeel in krijgen. Aanvoerder van deze actie is Arend Vijgh, heer van Zoelen. Diederick van Els was het met hem eens, want hij ondertekende het protest van de heer van Zoelen. Aan het hoofd van de tegenstanders staan onder meer twee Dodewaardse jonkers.

Geschenken op Sint Maarten

In de buurt van de Boelenham lag een huis dat D'Alwaege genoemd werd. De eigenaren hiervan vroegen in 1662 aan Diederick van Els of ze over de Leigraaf van de gemene straat op de Boelenhamse wal en van deze wal over de Hemmense tochtsloot op de Bemmelse wal een vlonder mochten aanleggen, om daar hun koeien te kunnen gaan melken. Ze beloofden de vlonder zo hoog te leggen dat er nog schuiten onderdoor konden varen. Diederick van Els ontving hiervoor ten eeuwige dage ƒ 2,50 op 11 november, op Sint Maarten. Diederick ontving jaarlijks nog meer op Sint Maarten, namelijk een paar jonge volwassen hoenderen. In ruil daarvoor had hij aan Johan Breull, raad van de stad Nijmegen, een stukje grond opgedragen, die langs de Hemmense Tochtgraaf lag. De pachter van de Voddenkamp moest ervoor zorg dragen dat Diederick de hoenderen inderdaad zou krijgen.

De dochters

Dochter Elisabeth huwde in 1682 Jacob Ferdinand Sweerts de Landas, heer van Oijen en Landschadenhof. Jacob Ferdinand verzocht in 1688 de Ridderschap van Nijmegen om toegelaten te worden, wat niet gebeurde omdat hij niet aan de strenge reglementen voldeed.

Jacob Ferdinand Sweerts De Landas was heer van Landschadenhoff en vrijheer van Oyen. Hij was de zoon van ridder Jacob en Johanna Lopez de Villanova, geboren op 18 maart 1628 te Den Haag. Hij overleed op 17 september 1693 en is begraven te ‘s Hertogenbosch in de Sint Jan met 16 kwartieren. Een kwartier was een aanduiding voor een voorouder in een kwartierstaat en verwees naar de kwartieren in een wapenschild die de afstamming van de drager aangaven. Jacob Ferdinand was raad en rentmeester-generaal van Staats-Brabant, ridder van den Frankischen Kreitz en kwartier van Oldenwalt. Hij was in 1664 al getrouwd met Catharina Louisa barones von Ketteler van Oyen, vrouwe van Nesselrode en Aldendorp. Zij overleed te ‘s Hertogenbosch op 20 november 1679 en is begraven in de Sint Jan met 16 kwartieren.

Elisabeth en Jacob Ferdinand kregen:

1.

Ermgard Louise Sweerts de Landas (geboren op 8 oktober 1684 in Den Bosch, overleed op 10 juni 1733 in Appeltern), huwde in 1709 Hans Christoffel baron van der Capellen, heer van Appeltern, Altfort en Hagen, luitenant-kolonel;

2.

Jacob Derk ridder Sweerts de Landas, heer van Landschadenhoff, Oyen, Nesselrode en Alendorp, ridder van den Frankischen Kreitz in het kwartier van Oldenwalt;

3.

Isabella Maria Sweerts de Landas, huwde Johan Christoffel Ludolf, baron von Münchhausen, heer van Oldendorp, Lenouw, Wegenseben en Oldenmolen, lid van de Ridderschap van Overijssel

4.

Elisabeth Johanna Sweerts de Landas, huwde Borgard Helmer baron von Münchhausen, generaal-majoor.

De zus van Elisabeth, Clementina Geertrudis, huwde met baron Maarten Christiaan Sweerts de Landas (1629-1704), de broer van Jacob Ferdinand.

Elizabeth Pieck

Elizabeth Pieck overleed in 1702. Diederick liet na het overlijden van zijn tweede vrouw het volgende rouwbericht rondsturen:

“Naardemaal, enz..., de welgeb. Vrouw Elisabeth Pieck, vrouw van Enspick, myne gewesene beddegenoodt (naar dat naer weynig tyd bedlegerig en altyd met vol verstand was geweest) uit dese bedroefde wereld enz... den 23 deses des middaags om een uyr, enz... hebbende om veel reden goetgevonden het dode lichaam te laten begraven sonder eenige ceremonie tot Rumpt, in ons voorouders Grafstede enz...

Hage, den 26 July 1702. (get.) D. van Els”.

Diederick overleed op 17 maart 1703 en werd met 16 kwartieren in de kerk van Rumpt begraven evenals zijn tweede vrouw Elizabeth Pieck. Een antieke kroonluchter in deze kerk herinnert nog aan hen. Op de kroon zijn de alliantiewapens van Van Els, Van Lynden en Pieck terug te vinden.